Wednesday, April 16, 2008
Friday, September 29, 2006
ERFGOOIER IN BLARICUM DOODGESCHOTEN
Gooi en Eemlander , Zaterdag 2 Mei 1903
____________________________________________________________________
Ternauwernood zijn eenige dagen gepasseerd sedert de wanordelijkheden
aan de Torenlaan, die aan de Torenlaan voorvielen, of een nieuwe gebeurtenis, misschien, ja zeker nog ernstiger, doet de feiten van Tweede Paaschdag (1) haast in de schaduw stellen. Er werd de laatste dagen veel gefluisterd geheimzinnig haast, zou men zeggen, doch men kan uit alles distilleren; de 20 militairen, hier nog steeds aanwezig, blijven niet om de kolonie (2) te beschermen , maar om op te treden bij eventuele moeilijkheden die op de ochtend van den Eerste Mei mochten voorkomen, wanneer de Erfgooiers hun vee naar het zoogenaamde “Harde” brengen. De lezers weten het: er was ongebrand vee, en vee niet gemerkt door, laten wij zeggen de wettige Meentmeesters. Afgesproken was, dat de Vereenigde ontevreden Erfgooiers toch dit vee op de weide brengen. Zekerheid bij het optreden van moeilijkheden kreeg men , toen het Vijfde Bataljon der Infanterie van het Zevende Regiment uit Naarden aankwam met een aantal militairen (57 officieren en minderen) onder bevel van Tweede luitenant Lavoo om zoo noodig assistentie te verlenen. Voor dat dezen evenwel Blaricum bereikt hadden, was aan de Meent reeds een treurig tooneel afgespeeld. Een gedeelte van de in het dorp aanwezige soldaten waren te middernacht op verschillende punten op de grens van de weiden opgesteld, met het bevel om zo nodig met gebruik van vuurwapens allen te weren, die zich met geweld toegang tot de Meent willen verschaffen.
Al heel spoedig kwamen bij het hek aan de z.g. “Drift” (bij Wetrens) een zestal Laarders aan, waaronder de in de Erfgooierskwestie bekende Harmen Vos, J. Majoor en ook een zekere H. Smit Czn. Men had het vee bij zich en wilde dit door het hek voeren, dat evenwel gesloten was en voor vernieling werd behoed door de daar twee aanwezige militairen. Nu deed men zooals afgesproken was, men trok en groef aan de zooden van de Dijk (3)
Er wordt gewaarschuwd, twee maal in de lucht geschoten, doch het werk wordt niet gestaakt. Er klinkt zelfs “Schiet toch niet”, helaas, een schot valt, gaat rakelings langs J. Majoor en treft den armen H. Smit. , een brave oppassende 22-jarige jongeling in het onderlijf, even boven de heup. Kermend valt hij neer. De militairen verwijderen zich, maar keeren zich circa twintig minuten later met een getal van acht naar de plaats des onheils terug. Inmiddels zijn de andere aanwezigen toegesneld en zien, hoe ernstig hun dorpsgenoot gekwetst is, die hoewel misschien voortvarend, toch mede gestreden heeft voor zijn goed recht, zijn Erfgooiersrecht, om de grond, zijn eigendom. Men begeeft zich naar de dichtstbijzijnde woning, die van de nachtwacht “A” , teneinde een kruiwagen te verschaffen, om daarop de getroffene naar diezelfde woning te vervoeren, waar men voor hem een zacht leger of tenminste een vriendelijk onderkomen, een troostend woord, zo niet van zijn moeder, dan toch van een vrouw, die zich de smart van deze kan voorstellen. Doch ...... men wordt niet binnengelaten. De in aller ijl ontboden Eerwaarde Heer Pastoor, voorzien van de genademiddelen der Kerk, koestert aanvankelijk nog hoop, hem nog onder zijn dak te kunnen sterken op zijn reis naar de Eeuwigheid. Vrezende evenwel, dat de ongelukkige onder de smartende pijnen zal bezwijken, heeft die toediening plaats in de open lucht. Troostvol en versterkt als vergeten zijn ondraaglijke pijn, wordt de bijna stervende naar de Pastorie vervoerd, waar hij op een inderhaast gereedgemaakt leger wordt nedergelegd, om omstreeks half vier onder de hevigste pijnen de geest te geven.
Wie schetst ons de verslagenheid der arme moeder, de diepe droefheid der overige familieleden en van zijn vele kennissen en vrienden ? Gisteren, Vrijdagmiddag, gingen de Meentmeesters, op last hunner autoriteiten, van hier en Laren, naar de Meent om zich ervan te overtuigen, dat er vee op liep, dat niet door de Meentmeesters, benoemd door de Gemeenteraad, gemerkt is. Des ochtends reeds, had K.B. van hier en J.M. uit Laren zich naar de Officier van Justitie te Amsterdam begeven, maar kregen weinig inlichtingen. Alleen bleek hun, dat de behandeling van het gebeurde behoorde bij Zijne Excellentie de Commissaris der Koningin in de Provincie Noord Holland.
Deze arriveerde des Avonds te Half Acht, vanuit Hilversum in onze Gemeente, na onderweg te Laren een langdurig onderhoud met den Burgemeester aldaar te hebben gehad. Nadat Zijne Excellentie eveneens met onze Burgemeester geconfereerd had, begaven beiden zich naar de plaats des onheil om een en ander in oogenschouw te nemen. Tenslotte keerde de Commissaris der Koningin over Hilversum naar Haarlem terug. Uit vrees voor wanordelijkheden, en vijandigheden der bevolking jegens de Burgemeester van Blaricum, de Heer Hosang, is heden nacht diens woning aan de vier hoeken bewaakt geworden door vier Infanteristen. Ook heden nog blijft een post van twee militairen voor zijn huis de wacht houden.
Geheel Blaricum, zowel als het naburige Laren is onder de indruk van het treurige feit. En als er misschien zijn, die het gewelddadig optreden der Erfgooiers afkeurden, klopt aller hart van medelijden, een diep medelijden. Aan wien hier de schuld? Voor zeker niet aan de militair, Soeterman, die het noodlottige schot loste, immers hij volbracht slechts het hem gegeven bevel, evenmin aan de Sergeant, die de wijze van optreden der minderen voorschreef. Geheel de bevolking is ontstemd en bij ieder dringt als vanzelf de vragen op: “Mag dat alles zo maar?” Waar was de aanwezige autoriteit, de politie, die, als men misdeed, had kunnen verbaliseren, en desnoods gevangen nemen? Op wiens bevel werd hier geschoten? Waar sedert jaar en dag de Erfgooierskwestie hangende is, waar de Rechtbank in dit ingewikkeld en moeilijk vraagstuk schijnt te aarzelen met haar uitspraak, moet daar nu zo opeens met geweld van wapenen worden ingegrepen? Het geval van Smit, die doorging met pogen om de Meent op te gaan, niettegenstaande hij herhaaldelijk met een schot in de lucht bedreigd werd, bewijst, evenals het geval van het Rotterdamsche slachtoffer der jongste staking, dat ons Nederlandse volk een dergelijk optreden volstrekt niet gewend is. Het schijnt zich de mogelijk niet te kunnen begrijpen, dat zulks wel wat Russische manieren ook hier te lande wel nodig zijn. Het gebeurde is voorzeker ook een donkere bladzijde in de Erfgooiersgeschiedenis, de enige misschien met bloed beschrevene. Laten we hopen, dat nu tenminste deze zo onaangename kwestie opgelost wordt.
___________________________________________________________
(1) Moeilijkheden die verband hielden met de Spoorwegstaking van 1903.
(2) De Kolonie van de Internationale Broederschap te Blaricum.
Auteur: Boersen, W.J.L. Maria Uitg. Historische Kring Blaricum
(3) Rond de Meent lag een zogenaamde koedijk. Deze bestond uit opgestapelde plaggen met aan de meentzijde een smalle geul. In dit hooggelegen terrein had de koedijk de functie van scheiding tussen het weidegebied en het landbouw gebied. Een droge sloot hield het vee niet ‘binnen’ en het prikkeldraad hadden de Britten pas kort tevoren uitgevonden t.b.v. hun concentratiekampen in Zuid Afrika. De ‘opstand’ van de erfgooiers is zo goed als zeker beïnvloed door de sympathie en de euforie die in Nederland heerste met de Boeren in Zuid Afrika.
-------------------------------------------------------------------------------------
F.J.J. de Gooijer
gooijerfjj@hotmail.com
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.nl
______________________________________________________

____________________________________________________________________
Ternauwernood zijn eenige dagen gepasseerd sedert de wanordelijkheden
aan de Torenlaan, die aan de Torenlaan voorvielen, of een nieuwe gebeurtenis, misschien, ja zeker nog ernstiger, doet de feiten van Tweede Paaschdag (1) haast in de schaduw stellen. Er werd de laatste dagen veel gefluisterd geheimzinnig haast, zou men zeggen, doch men kan uit alles distilleren; de 20 militairen, hier nog steeds aanwezig, blijven niet om de kolonie (2) te beschermen , maar om op te treden bij eventuele moeilijkheden die op de ochtend van den Eerste Mei mochten voorkomen, wanneer de Erfgooiers hun vee naar het zoogenaamde “Harde” brengen. De lezers weten het: er was ongebrand vee, en vee niet gemerkt door, laten wij zeggen de wettige Meentmeesters. Afgesproken was, dat de Vereenigde ontevreden Erfgooiers toch dit vee op de weide brengen. Zekerheid bij het optreden van moeilijkheden kreeg men , toen het Vijfde Bataljon der Infanterie van het Zevende Regiment uit Naarden aankwam met een aantal militairen (57 officieren en minderen) onder bevel van Tweede luitenant Lavoo om zoo noodig assistentie te verlenen. Voor dat dezen evenwel Blaricum bereikt hadden, was aan de Meent reeds een treurig tooneel afgespeeld. Een gedeelte van de in het dorp aanwezige soldaten waren te middernacht op verschillende punten op de grens van de weiden opgesteld, met het bevel om zo nodig met gebruik van vuurwapens allen te weren, die zich met geweld toegang tot de Meent willen verschaffen.
Al heel spoedig kwamen bij het hek aan de z.g. “Drift” (bij Wetrens) een zestal Laarders aan, waaronder de in de Erfgooierskwestie bekende Harmen Vos, J. Majoor en ook een zekere H. Smit Czn. Men had het vee bij zich en wilde dit door het hek voeren, dat evenwel gesloten was en voor vernieling werd behoed door de daar twee aanwezige militairen. Nu deed men zooals afgesproken was, men trok en groef aan de zooden van de Dijk (3)
Er wordt gewaarschuwd, twee maal in de lucht geschoten, doch het werk wordt niet gestaakt. Er klinkt zelfs “Schiet toch niet”, helaas, een schot valt, gaat rakelings langs J. Majoor en treft den armen H. Smit. , een brave oppassende 22-jarige jongeling in het onderlijf, even boven de heup. Kermend valt hij neer. De militairen verwijderen zich, maar keeren zich circa twintig minuten later met een getal van acht naar de plaats des onheils terug. Inmiddels zijn de andere aanwezigen toegesneld en zien, hoe ernstig hun dorpsgenoot gekwetst is, die hoewel misschien voortvarend, toch mede gestreden heeft voor zijn goed recht, zijn Erfgooiersrecht, om de grond, zijn eigendom. Men begeeft zich naar de dichtstbijzijnde woning, die van de nachtwacht “A” , teneinde een kruiwagen te verschaffen, om daarop de getroffene naar diezelfde woning te vervoeren, waar men voor hem een zacht leger of tenminste een vriendelijk onderkomen, een troostend woord, zo niet van zijn moeder, dan toch van een vrouw, die zich de smart van deze kan voorstellen. Doch ...... men wordt niet binnengelaten. De in aller ijl ontboden Eerwaarde Heer Pastoor, voorzien van de genademiddelen der Kerk, koestert aanvankelijk nog hoop, hem nog onder zijn dak te kunnen sterken op zijn reis naar de Eeuwigheid. Vrezende evenwel, dat de ongelukkige onder de smartende pijnen zal bezwijken, heeft die toediening plaats in de open lucht. Troostvol en versterkt als vergeten zijn ondraaglijke pijn, wordt de bijna stervende naar de Pastorie vervoerd, waar hij op een inderhaast gereedgemaakt leger wordt nedergelegd, om omstreeks half vier onder de hevigste pijnen de geest te geven.
Wie schetst ons de verslagenheid der arme moeder, de diepe droefheid der overige familieleden en van zijn vele kennissen en vrienden ? Gisteren, Vrijdagmiddag, gingen de Meentmeesters, op last hunner autoriteiten, van hier en Laren, naar de Meent om zich ervan te overtuigen, dat er vee op liep, dat niet door de Meentmeesters, benoemd door de Gemeenteraad, gemerkt is. Des ochtends reeds, had K.B. van hier en J.M. uit Laren zich naar de Officier van Justitie te Amsterdam begeven, maar kregen weinig inlichtingen. Alleen bleek hun, dat de behandeling van het gebeurde behoorde bij Zijne Excellentie de Commissaris der Koningin in de Provincie Noord Holland.
Deze arriveerde des Avonds te Half Acht, vanuit Hilversum in onze Gemeente, na onderweg te Laren een langdurig onderhoud met den Burgemeester aldaar te hebben gehad. Nadat Zijne Excellentie eveneens met onze Burgemeester geconfereerd had, begaven beiden zich naar de plaats des onheil om een en ander in oogenschouw te nemen. Tenslotte keerde de Commissaris der Koningin over Hilversum naar Haarlem terug. Uit vrees voor wanordelijkheden, en vijandigheden der bevolking jegens de Burgemeester van Blaricum, de Heer Hosang, is heden nacht diens woning aan de vier hoeken bewaakt geworden door vier Infanteristen. Ook heden nog blijft een post van twee militairen voor zijn huis de wacht houden.
Geheel Blaricum, zowel als het naburige Laren is onder de indruk van het treurige feit. En als er misschien zijn, die het gewelddadig optreden der Erfgooiers afkeurden, klopt aller hart van medelijden, een diep medelijden. Aan wien hier de schuld? Voor zeker niet aan de militair, Soeterman, die het noodlottige schot loste, immers hij volbracht slechts het hem gegeven bevel, evenmin aan de Sergeant, die de wijze van optreden der minderen voorschreef. Geheel de bevolking is ontstemd en bij ieder dringt als vanzelf de vragen op: “Mag dat alles zo maar?” Waar was de aanwezige autoriteit, de politie, die, als men misdeed, had kunnen verbaliseren, en desnoods gevangen nemen? Op wiens bevel werd hier geschoten? Waar sedert jaar en dag de Erfgooierskwestie hangende is, waar de Rechtbank in dit ingewikkeld en moeilijk vraagstuk schijnt te aarzelen met haar uitspraak, moet daar nu zo opeens met geweld van wapenen worden ingegrepen? Het geval van Smit, die doorging met pogen om de Meent op te gaan, niettegenstaande hij herhaaldelijk met een schot in de lucht bedreigd werd, bewijst, evenals het geval van het Rotterdamsche slachtoffer der jongste staking, dat ons Nederlandse volk een dergelijk optreden volstrekt niet gewend is. Het schijnt zich de mogelijk niet te kunnen begrijpen, dat zulks wel wat Russische manieren ook hier te lande wel nodig zijn. Het gebeurde is voorzeker ook een donkere bladzijde in de Erfgooiersgeschiedenis, de enige misschien met bloed beschrevene. Laten we hopen, dat nu tenminste deze zo onaangename kwestie opgelost wordt.
___________________________________________________________
(1) Moeilijkheden die verband hielden met de Spoorwegstaking van 1903.
(2) De Kolonie van de Internationale Broederschap te Blaricum.
Auteur: Boersen, W.J.L. Maria Uitg. Historische Kring Blaricum
(3) Rond de Meent lag een zogenaamde koedijk. Deze bestond uit opgestapelde plaggen met aan de meentzijde een smalle geul. In dit hooggelegen terrein had de koedijk de functie van scheiding tussen het weidegebied en het landbouw gebied. Een droge sloot hield het vee niet ‘binnen’ en het prikkeldraad hadden de Britten pas kort tevoren uitgevonden t.b.v. hun concentratiekampen in Zuid Afrika. De ‘opstand’ van de erfgooiers is zo goed als zeker beïnvloed door de sympathie en de euforie die in Nederland heerste met de Boeren in Zuid Afrika.
-------------------------------------------------------------------------------------
F.J.J. de Gooijer
gooijerfjj@hotmail.com
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.nl
______________________________________________________
Labels: Gooise geschiedenis

